De afgelopen dagen was het weer raak: maar liefst twee artikelen met betrekking tot het effect van meditatie op ons brein circuleerden over internet.

Ik schreef er (natuurlijk) in dit en in dit bericht over. Ik ben al jaren buitengewoon geïnteresseerd in ons brein en de evolutie en werking ervan en heb er in de loop van de jaren wel ruim een metertje boeken over gelezen en verzameld, waaronder Boeddha’s Brein.

Neurologische effecten van meditatie

Evengoed ben ik niet altijd positief over deze aandacht voor de meditatie-disciplines, zoals ik de mindfulness- en compassietrainingen voor nu zal noemen, en waartoe ik ook mijn geliefde Zen reken. Want ondanks mijn persoonlijke interesse is de verandering in mijn brein nooit mijn drijfveer geweest om te gaan mediteren. En het is ook niet mijn reden ermee door te gaan.

Het is een trend die al een tijd gaande is, die bijzonder waardevolle elementen bevat, maar waar we, zoals gewoonlijk, in doorschieten: het neurologisch aantonen van allerhande effecten van de meditatie, wat ik de verneurologisering ben gaan noemen. Onze hersenfuncties willen trainen, hetgeen natuurlijk een ontevredenheid impliceert met de huidige situatie. Het aanpassen van de hersenen in plaats van de situatie. De wereld op zijn kop, en dat is dan ook precies het achterliggende probleem: de wereld staat op zijn kop.

Er is geen weg terug

Hou me ten goede: ik denk niet meer dat er een weg terug is. De agenda’s zijn vol, er komen in ons brein meer prikkels per dag binnen dan destijds een Neanderthaler in een jaar te verwerken kreeg, beeldschermen zijn onvermijdelijk en bombarderen ons de hele dag met quasi-informatie over producten waar we niet zonder zouden kunnen.

Onze wereld is te groot geworden en ons brein kan het in het tempo waarin de evolutie tot nu toe ging, niet bijhouden. Onze cultuur regeert ons, de natuur moet maar zien hoe zij het bijhoudt.

Weten we hoe onze geest werkt?

Daar komt wat mij betreft nog één belangrijke factor bij, en dat is dat we collectief niet geleerd hebben hoe onze geest werkt. We zijn al vanaf onze jeugd zeer eenzijdig gericht op het voorkomen van ongemak en het najagen van plezier. Het wordt stilzwijgend geaccepteerd als dit ten koste van anderen gaat. Nou ja, soms wordt er de nodige misbaar gemaakt, onder druk van zogenaamd sociale media, maar dit leidt zelden toch de bijbehorende verandering van gedrag. We leren hoegenaamd niets over wederzijdse afhankelijkheid.

Er is alleen aandacht voor de buitenkant (kapper, sportschool, auto, vakantie) en de binnenkant wordt veronachtzaamd, alsof emotionele stabiliteit, mentale rust en algeheel welbevinden vanzelfsprekendheden zijn waar we gewoon recht op hebben en die we niet hoeven te ontwikkelen, ‘bij te houden’ of te cultiveren.

Eenzijdigheid van de wetenschap

Nog een ander aspect is de eenzijdigheid van de wetenschap, die zichzelf tekort doet door alleen grote groepen mensen te willen onderzoeken en de onderzoeker zelf buiten beschouwing laat. Natuurlijk gebeurt dan datgene wat ik hier als trend signaleer: mediteren heeft iets met hersenen te maken, dus is geluk misschien toch wel maakbaar (deze chargering is van mij).

Maar als je dit mateloos interessante onderzoek, dat zeker zijn waarde heeft en veel mensen kan helpen (want dat is natuurlijk niet verboden!) nu heel even loslaat en het onderzoek wat meer bij jezelf brengt, dan zou het wel eens kunnen dat je helemaal niets opmerkt van een dikkere pre-frontale cortex of kleinere amygdala, maar wél dat je meer verbondenheid kunt ervaren met anderen, dat er warmte en vriendelijkheid kan ontstaan, dat de kwaliteit van vreugde in je leven anders – dieper – wordt.

En dat zijn ‘helaas’ geen hersenfuncties, maar kwaliteiten van het hart.

Hopelijk dat de wetenschap daar ook snel naar wil kijken, maar dan wel met andere instrumenten dan de meetlat. Een spiegel bijvoorbeeld…
En dat we zullen zien dat onze harten bloeden.

Prettig weekend en veel plezier met de wetenschapsbijlage uit de zaterdagskrant!

 

Foto: Evan Kirby on Unsplash