Home » Lichaam » Polyvagaaltheorie (PVT)

Polyvagaaltheorie (PVT)

« Naar Relaxicon begrippenlijst

De poly­va­gaal­the­o­rie draait om de com­mu­ni­ca­tie tus­sen her­se­nen en lichaam. Hij beschrijft hoe aller­lei sig­na­len en mecha­nis­men ons gedrag stu­ren en zo ons gevoel van vei­lig­heid bepa­len. De the­o­rie is niet heel erg com­plex, maar heeft wel op meer­de­re gebie­den betrek­king. Dit maakt de poly­va­gaal­the­o­rie soms wat las­tig te overzien. 

In dit Relaxi­con-onder­werp beschrijf ik de the­o­rie twee keer: eerst een­vou­dig en begrij­pe­lijk voor leken, daar­na ver­diep ik een aan­tal aspec­ten en con­cep­ten, waar­bij ik meer tech­ni­sche- en Latijn­se ter­men gebruik.

Bij cli­ën­ten die bij onder­ge­te­ken­de ses­sies trau­ma-the­ra­pie vol­gen, ver­tel ik vaak over de poly­va­gaal­the­o­rie om te ver­dui­de­lij­ken hoe hun zenuw­stel­sel werk­te ten tij­de van het gebeu­ren, dat dat een vorm van zelf­be­scher­ming was én hoe dat in Soma­tic Expe­rien­cing® rich­ting geeft aan het ver­loop van een ses­sie.
Deze pagi­na (en dan voor­al het eer­ste deel, dat voor leken zeer geschikt is) bevat alle belang­rij­ke info net­jes op een rijtje.

Inhoud 
  1. De weten­schap van het gevoel van ver­bon­den­heid en veiligheid
  2. Deel 1: de poly­va­gaal­the­o­rie voor leken
  3. Deel 2: de poly­va­gaal­the­o­rie — meer tech­nisch en de diep­te in…
  4. Over de hië­rar­chi­sche orde­ning van de drie func­ti­o­ne­le sub­sys­te­men van het auto­no­me zenuwstelsel
  5. De ande­re her­sen­ze­nu­wen die van belang zijn in de polyvagaaltheorie

De wetenschap van het gevoel
van verbondenheid en veiligheid

The gre­at thing then, in all edu­ca­ti­on,
is to make our ner­vous sys­tem our ally,
as oppo­sed to our enemy.
Wil­li­am James, 1914, Habit

Onge­lo­fe­lijk, dat Wil­li­am James in 1914 al door­had dat ons zenuw­stel­sel zo belang­rijk is voor ons gevoel van vei­lig­heid als pre­cies 80 jaar later Step­hen Por­ges in zijn poly­va­gaal­the­o­rie aantoonde…

Deel 1: de polyvagaaltheorie voor leken

Waar gaat de polyvagaaltheorie over?

Het auto­no­me deel van ons zenuw­stel­sel — het deel dat onbe­wust aller­lei lichaams­func­ties regelt — blijkt meer te zijn dan alleen dat. Het blijkt ook de belang­rijk­ste struc­tu­ren te bevat­ten die ons vei­lig­heid of drei­ging laat erva­ren. De poly­va­gaal­the­o­rie beschrijft de taal van ons auto­no­me zenuwstelsel.

Stephen Porges, bron: www.stephenporges.com
Step­hen Por­ges, bron: www.stephenporges.com

Hoog­le­raar psy­chi­a­trie en neu­ro­we­ten­schap­per Step­hen Por­ges publi­ceer­de in 1994 de poly­va­gaal­the­o­rie. Hier­in geeft hij een zeer goe­de ver­kla­ring voor hoe de evo­lu­tie van ons auto­no­me zenuw­stel­sel ver­klaart hoe wij omgaan met stress, drei­ging en soci­aal gedrag. Daar­bij weet Por­ges dit te kop­pe­len aan aller­lei licha­me­lij­ke en men­ta­le klach­ten die nu we nu (zowel in de psy­chi­a­trie als in de inter­ne genees­kun­de) los van elkaar zien.

Een niet goed gere­gu­leerd auto­noom zenuw­stel­sel (= gedis­re­gu­leerd, ofte­wel uit balans) kan vol­gens de poly­va­gaal­the­o­rie (PVT) een ver­kla­ring zijn voor o.a. een aan­tal buik­klach­ten (waar­on­der obsti­pa­tie, prik­kel­ba­re darm syn­droom, spas­ti­sche darm), voor de mees­te post-trau­ma­ti­sche ver­schijn­se­len, prik­kel-over­ge­voe­lig­heid en ver­schil­len­de ver­schijn­se­len bij autis­ti­sche stoornissen.

Het mooie van Por­ges’ werk is dat hij niet alleen een the­o­rie bedacht heeft maar óók de prak­ti­sche con­se­quen­ties over­ziet en ande­re — meer lichaams­ge­rich­te — behan­del­op­ties voor­stelt, waar­mee inmid­dels ook al goe­de resul­ta­ten wor­den behaald.

Hoe oud is de polyvagaaltheorie?

Por­ges’ belang­stel­ling voor de wer­king van het auto­no­me zenuw­stel­sel dateert uit 1969, toen hij voor het eerst onder­zoek deed naar hart­rit­me­va­ri­a­bi­li­teit (= klei­ne vari­a­ties van het nor­ma­le hart­rit­me, die ‘mee­be­we­gen’ met het rit­me van de adem).
Diep inzicht ver­wer­ven kost blijk­baar veel tijd. Dat zien we als we kij­ken naar de eer­ste publi­ca­ties over de poly­va­gaal­the­o­rie (in 1994) en het feit dat we nu — anno 2020 — pas de eer­ste voor­zich­ti­ge intro­duc­tie in de regu­lie­re gezond­heids­zorg zien…

Hoe theoretisch is de polyvagaaltheorie?

De poly­va­gaal­the­o­rie is mis­schien nog niet zo heel oud; de wer­king van ons zenuw­stel­sel is zo oud als de mens­heid bestaat. Het woord the­o­rie heeft ver­schil­len­de bete­ke­nis­sen. Het kan ‘bewe­ring’ bete­ke­nen, als­of het een moge­lijk­heid is dat ons zenuw­stel­sel zo werkt als beschre­ven, en dat er ook ande­re moge­lijk­he­den zijn. The­o­rie bete­kent ech­ter ook ‘weten­schap­pe­lijk begin­sel’, dat mis­schien nog nade­re uit­wer­king of ver­fij­ning kan gebrui­ken, maar in de basis niet meer ter dis­cus­sie staat bij des­kun­di­gen.
Dit laat­ste geldt voor de polyvagaaltheorie. 

Een ander voor­beeld van een the­o­rie die nog altijd ver­fijnd wordt, maar die in de kern door alle weten­schap­pers aan­vaard wordt en waar­voor al heel veel bewijs is ver­gaard, is de evo­lu­tie­the­o­rie. Ik ver­moed dat de poly­va­gaal­the­o­rie ook nog wel wat ver­fij­ning zal krij­gen, maar de kern staat wat mij betreft als een huis.

Wat betekent polyvagaal?

Poly­va­gaal bete­kent “meer vaga­le banen” (poly = veel, vagaal = de ner­vus vagus betref­fend [een belang­rij­ke her­sen­ze­nuw, waar­over later meer…]).
De indruk kan mak­ke­lijk ont­staan dat de poly­va­gaal­the­o­rie alléén over de ner­vus vagus gaat, maar dat is niet zo. In de PVT zijn ook ande­re her­sen­struc­tu­ren van belang, waar­on­der een vier­tal ande­re hersenzenuwen.

Ken­nis is zin­loos tot­dat zij in het lichaam leeft.
Peter Levi­ne

De drie pijlers van de polyvagaaltheorie

De drie hoofd­pij­lers waar de poly­va­gaal­the­o­rie op rust zijn:

  1. Hië­rar­chie
    De evo­lu­ti­o­nair bepaal­de hië­rar­chie in ons afweer­sys­teem. Hier­on­der ga ik uit­ge­breid op deze pij­ler in.
  2. Neu­ro­cep­tie
    Ons onbe­wus­te ‘vei­lig­heid-scan­sys­teem’. Heeft een eigen relaxi­con-pagi­na.
  3. Core­gu­la­tie
    De invloed die het zenuw­stel­sel van de ene mens op dat van de ande­re mens heeft. Heeft een eigen relaxi­con-pagi­na.

Pijler 1: De evolutionair bepaalde hiërarchie in ons afweersysteem

De poly­va­gaal­the­o­rie beschrijft dat het omgaan met stress en drei­ging drie niveau’s kent. We spre­ken in wat def­ti­ger taal dan over “drie hië­rar­chisch geor­ga­ni­seer­de sub­sys­te­men van het auto­no­me zenuw­stel­sel”. Ach­ter­een­vol­gens zijn dit:

  1. bij twij­fel aan vei­lig­heid (de neu­ro­cep­tie geeft een alarm[pje]): het zoe­ken van con­tact en soci­a­le ver­bin­ding. Als dat niet vol­doen­de werkt, dan…
  2. is er gevaar: er wordt over­ge­scha­keld naar mobi­li­sa­tie ofte­wel de actie-modus, mid­dels de vecht- en vlucht­res­pons. Mocht dat ook niet helpen…
  3. dan is er levens­be­drei­ging: er ont­staat een res­pons van immo­bi­li­sa­tie of bevriezing.

De wij­ze waar­op deze drie mecha­nis­men tot uit­druk­king komen, ver­schilt van mens tot mens en van situ­a­tie tot situ­a­tie. Er zijn uiter­aard wel gemeen­schap­pe­lij­ke ele­men­ten, waar­over later meer. En de volg­or­de ligt vast.

Vrije keus?

Belang­rijk is te besef­fen dat nie­mand bewust kan kie­zen om in de vecht- of vlucht­re­ac­tie te gaan, of te bevrie­zen. Veel slacht­of­fers van bijv. geweld of mis­bruik heb­ben schuld­ge­voe­lens over het feit dat ze zich niet (hevi­ger) heb­ben ver­zet. De res­pons op wer­ke­lijk levens­be­drei­gen­de gebeur­te­nis­sen is ech­ter géén vrij­wil­li­ge keus.
Ons lichaam maakt zelf die keus op basis van een onder­lig­gend neu­raal pro­ces dat we neu­ro­cep­tie noemen.

In de poly­va­gaal­the­o­rie bestaat NIET zoiets als een slech­te res­pons, er zijn alleen adap­tie­ve (overlevings-)responsen.

Volgorde

De uiting van ver­de­di­ging ver­schilt dan van mens tot mens, de volg­or­de van door­lo­pen van de drie mecha­nis­men ligt vast en gaat van soci­aal naar mobi­li­sa­tie naar immo­bi­li­sa­tie, zoals bij resp. 1, 2 en 3 hier­bo­ven is beschreven.

Eer­de­re erva­rin­gen kun­nen ervoor zor­gen dat bij iemand het soci­a­le deel min­der ont­wik­keld is en snel ‘uit­ge­put’ is, waar­door iemand al snel in de vecht-/vlucht­res­pons kan komen. Een situ­a­tie die zeer ern­stig is kan ook maken dat het soci­a­le ver­bin­dings­ge­deel­te wordt over­ge­sla­gen. Het heeft immers geen zin om hulp te zoe­ken en te pro­be­ren een drei­ging te sus­sen (de taak van mecha­nis­me 1) als de kamer waar je in bent in brand staat.

Evolutionair bepaald

Als we kij­ken naar de volg­or­de waar­in de drie res­pon­sen optre­den, dan zien we dat deze omge­keerd is in rela­tie tot hun evo­lu­ti­o­nai­re ont­wik­ke­ling. Bij stress en drei­ging wordt eerst het nieuw­ste sys­teem inge­zet, en naar­ma­te de drei­ging ern­sti­ger wordt, wordt de res­pons ouder.

In volg­or­de van evo­lu­ti­o­nair ont­staan: Het oud­ste sys­teem is dat van immo­bi­li­sa­tie (= onbe­weeg­lijk maken), dat dateert uit de tijd van de rep­tie­len. Later, in de tijd dat er vis­sen ont­ston­den, kwam er een mobi­li­sa­tie-sys­teem met een vecht- en vlucht­res­pons. Nog weer veel later ont­stond het soci­a­le sys­teem. Dit is het meest ont­wik­keld bij zoog­die­ren. Bij drei­ging door­lo­pen we deze sta­dia dus in omge­keer­de volg­or­de: eerst soci­aal con­tact maken, dan de vecht- of vlucht­res­pons en ten­slot­te de bevriezing.

Wel­be­schouwd kun je dus zeg­gen dat we onze hoge­re (= nieu­we­re) her­sen­struc­tu­ren gebrui­ken om onze oude­re ver­de­di­gings­sys­te­men te rem­men wan­neer er geen gevaar is. Een evo­lu­ti­o­nair bepaal­de hië­rar­chie. We noe­men dit heel def­tig een fylo­ge­ne­ti­sche ordening.

Cen­traal bij dit alles staat de evo­lu­tie van een aan­tal her­sen­ze­nu­wen, waar­bij de ner­vus vagus de belang­rijk­ste rol speelt.

Waarom is de polyvagaaltheorie belangrijk?

De poly­va­gaal­the­o­rie geeft ons inzicht in onze res­pon­sen op stress­vol­le gebeur­te­nis­sen en de her­komst van deze res­pon­sen. Ken­nis van ons brein, de her­sen­ze­nu­wen en met name de ner­vus vagus, als­me­de ken­nis van hoe die­ren in de natuur rea­ge­ren op levens­be­drei­ging, geven ons aan­kno­pings­pun­ten voor- en inzicht in:

  • waar­om het belang­rijk is dat kin­de­ren in een vei­li­ge omge­ving kun­nen opgroei­en en hun zenuw­stel­sel zich op een goe­de manier kan ontwikkelen;
  • de rede­nen dat men­sen op ern­sti­ge gebeur­te­nis­sen rea­ge­ren zoals zij reageren;
  • waar­om men­sen na zo’n gebeur­te­nis klach­ten kun­nen ontwikkelen;
  • wat een ver­stan­di­ge manier is en wat niet, om om te gaan met men­sen na een schok­ken­de gebeurtenis;
  • op welk niveau the­ra­peu­ti­sche maat­re­ge­len zou­den moe­ten ingrijpen;
  • wel­ke behan­del­me­tho­den wel of niet effec­tief zijn bij bepaal­de klachten;
  • wat de rol van een goe­de the­ra­peut — dus met een goed gere­gu­leerd auto­noom zenuw­stel­sel — kan zijn;
  • moge­lijk­he­den voor nieu­we behandelmethoden.

Gevolgen van de polyvagaaltheorie

Toen Por­ges in 1994 de poly­va­gaal­the­o­rie publi­ceer­de, ver­moed­de hij nog niet dat pio­niers als Peter Levi­ne (grond­leg­ger van de lichaams­ge­rich­te trau­ma­the­ra­pie Soma­tic Expe­rien­cing®) en Bes­sel van der Kolk (hoog­le­raar psy­chi­a­trie, gespe­ci­a­li­seerd in post-trau­ma­ti­sche stressstoor­nis­sen) hier heel veel belang­stel­ling voor hadden.

Por­ges had de immo­bi­li­sa­tie als ver­de­di­gings­stra­te­gie bij die­ren nog niet geduid als een moge­lijk trau­ma­ti­sche reac­tie bij men­sen. Maar zijn the­o­rie ver­klaar­de ein­de­lijk wat Levi­ne, van der Kolk, Ogden en een aan­tal ande­re lichaams­ge­richt wer­ken­de pio­niers al zo lang wis­ten: de weg naar trau­ma-heling gaat via het lichaam. Zo kan het gevoel van vei­lig­heid getraind wor­den en terug komen.
We zijn en blij­ven men­sen én zoog­die­ren, en voor onze over­le­ving heb­ben we rela­ties en inter­ac­tie met ande­ren nodig. Dit zijn voor veel men­sen moei­lij­ke gebie­den in het leven, en hier lig­gen dui­de­lij­ke links met thema’s als gehecht­heid, inti­mi­teit, lief­de en vriendschap.

En er is meer…

Twee ande­re belang­rij­ke nieu­we inzich­ten die de PVT toe­voegt is dat…

  1. het kal­me­ren­de zoog­die­ren­sys­teem ook neu­raal ver­bon­den is met de spie­ren van het gezicht en het hoofd, en…
  2. dat dit een belang­rijk deel is voor het auto­no­me zenuw­stel­sel om te kun­nen regu­le­ren met behulp van een ander AZS. Ofte­wel: hoe een rus­tig en sta­biel iemand een hulp­bron kan zijn voor iemand die ‘over z’n toe­ren is’. Core­gu­la­tie (= samen regu­le­ren) is een belang­rij­ke zoogdierenvaardigheid.

Zó kun­nen we vei­lig­heid en ver­trou­wen ook echt gaan voe­len en rela­ties en ver­bin­ding aangaan.

Voor de duidelijkheid

Het is niet te zeg­gen dat gebeur­te­nis X klacht Y ver­oor­zaakt. Zo recht­lij­nig is het niet. Er zijn ech­ter veel ver­ban­den te leg­gen tus­sen een aan­tal licha­me­lij­ke klach­ten en een ont­re­ge­ling van het auto­no­me zenuw­stel­sel. Een steeds beken­der voor­beeld hier­van zijn de zoge­naam­de Adver­se Child­hood Expe­rien­ces (ACE), ofte­wel schok­ken­de erva­rin­gen in de kin­der­tijd. Hier wor­den dui­de­lijk ver­ban­den aan­ge­toond tus­sen schok­ken­de gebeur­te­nis­sen in de kin­der­tijd en gezond­heids­pro­ble­men in het late­re leven.

Trauma-heling via het lichaam?

Ja. Lees meer in onder­staan­de artikelen.

Hoe zit dat dan met klachten die je kunt krijgen na schokkende gebeurtenissen?

Ik wil bena­druk­ken dat de res­pons van ons auto­no­me zenuw­stel­sel op schok­ken­de gebeur­te­nis­sen een over­le­vings­res­pons is, waar­van het maar goed is dat deze onbe­wust geno­men werd. Iede­re ver­oor­de­ling daar­van getuigt eigen­lijk van een onjuist inzicht in wat er op zenuw­stel­sel-niveau gebeurde.

Wij men­sen zijn het ver­leerd om op een gezon­de manier met schok­ken­de gebeur­te­nis­sen om te gaan, zodat zij geen ern­stig blij­vend nade­lig effect op ons heb­ben en op lan­ge­re ter­mijn klach­ten ver­oor­za­ken. Daar­naast is het zo dat wij tegen­woor­dig zoveel prik­kels en schok­kends mee­ma­ken dat het ook haast ondoen­lijk is dat alle­maal op een natuur­lij­ke manier te verwerken.

Je zou kun­nen zeg­gen dat onze ver­de­di­gings­sys­te­men ont­re­geld kun­nen raken en vast kun­nen gaan zit­ten / niet terug komen in balans. Gere­la­teerd aan de drie evo­lu­ti­o­nai­re- en poly­va­ga­le niveau’s bete­kent dit, kort samen­ge­vat, dat:

  • een zenuw­stel­sel ‘vast kan raken’ in mobi­li­sa­tie, in vech­ten of vluch­ten dus (het sym­pa­ti­sche niveau van het auto­no­me zenuw­stel­sel). Een ‘heet­ge­ba­kerd’ per­soon heeft bijv. de vecht­mo­dus heel snel aangezet.
  • of een zenuw­stel­sel kan vast raken in bevrie­zen (de dor­saal vaga­le banen van het auto­no­me zenuw­stel­sel). Iemand die snel ‘blok­keert’ bij een stress­vol­le situ­a­tie zou een ‘sys­teem’ kun­nen heb­ben dat vaak gere­a­geerd heeft door te bevrie­zen en dat dat dus goed ‘geleerd’ heeft.
  • een zenuw­stel­sel kan niet vast raken in het evo­lu­ti­o­nair nieuw­ste sys­teem: het vei­lig­heids- of soci­a­le sys­teem. Ieder mens scha­kelt over op een oude­re over­le­vings­res­pons als de situ­a­tie maar drei­gend genoeg is. Maar oefe­ning, een vei­li­ge opvoe­ding, men­ta­le vaar­dig­he­den om met stress en onge­mak­ken om te gaan — veer­kracht dus — en een goed onder­steu­nend net­werk (denk aan core­gu­la­tie!) kun­nen er wel voor zor­gen dat het soci­a­le sys­teem lang blijft func­ti­o­ne­ren én snel­ler her­stelt na een schok­ken­de gebeurtenis.

Filmpje?

In dit mooie film­pje met Neder­land­se onder­ti­te­ling wordt de hele poly­va­gaal­the­o­rie begrij­pe­lijk uitgelegd.

Heb je na het lezen van deze informatie vragen, ben je benieuwd of trauma-heling en/of Somatic Experiencing® je kan helpen of wil je een kennismakingsgesprek plannen, neem dan contact op.

Eind 2019 bezocht ik een con­gres over de PVT, waar ik via Zoom met prof. Por­ges sprak over een aan­tal nieu­we ont­wik­ke­lin­gen op poly­va­gaal gebied. Dat was bijzonder!

Deel 2: de polyvagaaltheorie — meer technisch en de diepte in…

Inleiding

Hier­on­der ga ik die­per in op de poly­va­gaal­the­o­rie. Het is een the­o­rie die voor­al com­plex is door z’n bre­de invloed. Dit gedeel­te zal een stuk tech­ni­scher zijn en moge­lijk niet voor iede­re leek begrij­pe­lijk. Daar­om staat hier­bo­ven een samen­vat­ting die hope­lijk voor ieder­een begrij­pe­lijk is.

Ontstaan van de polyvagaaltheorie (PVT)

De PVT is ont­staan van­uit de wens om ver­kla­rin­gen te vin­den over het vóór­ko­men van bra­dy­car­die en apneu bij pas­ge­bo­re­nen. Het feit dat de n. vagus fei­te­lijk twee tegen­ge­stel­de func­ties heeft (bewust­zijns­ver­la­ging [DV] ener­zijds en soci­a­le betrok­ken­heid [VV] ander­zijds) noe­men we de vaga­le paradox.

Ik ben oprecht geïn­te­res­seerd in de reden waar­om onze maat­schap­pij zo gericht is op cog­ni­tie­ve func­ties, zon­der aan­dacht voor de inte­gra­tie van onze cog­ni­ties met onze licha­me­lij­ke erva­rin­gen. Het is een feit dat dit leidt tot een soort dis­so­ci­a­tie die een aan­zien­lijk deel van ieders leven in beslag neemt.
Step­hen Porges

Tegen­woor­dig wordt de the­o­rie voor­al gebruikt voor toe­ge­past onder­zoek naar de neu­ro­bi­o­lo­gi­sche mecha­nis­men van psy­chi­a­tri­sche stoor­nis­sen.
Dank­zij het werk van veel the­ra­peu­ten kan de poly­va­gaal­the­o­rie nu ook als onder­bou­wing voor het wer­ken met cli­ën­ten in de prak­tijk wor­den gebruikt.

De PVT biedt the­ra­peu­ten een neu­ro­fy­si­o­lo­gisch raam­werk waar­langs ze inzicht krij­gen in waar­om men­sen zich gedra­gen zoals ze doen. Door de poly­va­ga­le bril geke­ken, valt te begrij­pen dat gedra­gin­gen auto­ma­tisch en adap­tief zijn en dat ze wor­den gege­ne­reerd door het auto­no­me zenuw­stel­sel, op een niveau dat diep onder het bewus­te waar­ne­men ligt.

De vagale paradox

Het para­sym­pa­tisch zenuw­stel­sel wordt van ouds­her gezien als het sys­teem voor rust, gezond­heid, groei en her­stel. Maar dat is niet de hele waar­heid. Want hoe zit het als iemands hart ern­stig ver­traagt bij ver­star­ring en gro­te schrik (“mijn hart sloeg over!”) of wan­neer iemand het bij levens­be­drei­ging in zijn broek doet? Want ook hier­bij speelt de n. vagus de hoofd­rol en dat kun je toch niet echt reac­ties noe­men van rust en her­stel. Daar ligt een tegenstrijdigheid…

Por­ges heeft 20 jaar onder­zoek gedaan naar de vaga­le para­dox.  Door de poly­va­gaal­the­o­rie werd de func­tie van ver­de­di­gings­sys­teem een deel van het para­sym­pa­ti­sche zenuw­stel­sel én kwam er een ver­kla­ring voor de ver­schil­len­de over­le­vings­res­pon­sen, geba­seerd op de evo­lu­ti­o­nai­re en fylo­ge­ne­ti­sche ont­wik­ke­ling van ons zenuwstelsel.

Een dui­de­lijk voor­beeld — waar Por­ges ook lang mee ‘gewor­steld’ heeft — is de pre­ma­tu­re zui­ge­ling, die vaak te lij­den heb­ben van apneu’s (adem­stil­stand) en bra­dy­car­die­ën (te lage hart­slag). Ont­dekt is dat een vroeg­ge­bo­ren baby (< 32 weken zwan­ger­schap) eigen­lijk nog het auto­no­me zenuw­stel­sel van een rep­tiel heeft. Apneu’s en bra­dy­car­die­ën zijn dan een teken van defen­sie­ve reac­ties van het zenuw­stel­sel, die niet geïn­hi­beerd (= gedempt) kun­nen wor­den door de VV, die zich nog moet ontwikkelen.

Bij rep­tie­len is zo’n reac­tie geen pro­bleem, die kun­nen soms meer­de­re uren zon­der zuur­stof en over­le­ven ook eni­ge tijd met een zeer lage hart­slag. Bij een pre­ma­tuur zijn hypoxie en bra­dy­car­die al ruim bin­nen een minuut levensbedreigend.

Over de hiërarchische ordening van de drie functionele subsystemen van het autonome zenuwstelsel

Het oudste systeem: de dorsaal vagale banen

  • deze onge­my­e­li­ni­seer­de vaga­le banen zijn ver­ant­woor­de­lijk voor de basa­le vaga­le regu­la­tie van de orga­nen onder het middenrif.
  • in de her­sen­stam ont­sprin­gen deze banen uit de nucle­us dor­sa­lis moto­ri­us. Deze kern ligt ach­ter (= dor­saal) de kern waar­uit de ande­re vagus­ba­nen ont­sprin­gen, van­daar de kor­te­re naam ‘dor­sa­le vagus’, vaak afge­kort tot DV.
  • de mens deelt dit sys­teem met alle ande­re gewer­vel­de dieren.
  • dit oer­ou­de sys­teem (ca. 500 mil­joen jaar oud) regu­leert de home­o­sta­se wan­neer de situ­a­tie vei­lig is.
  • bij de nood­zaak tot ver­de­di­ging zet dit sys­teem aan tot immo­bi­li­sa­tie, waar­bij bra­dy­car­die, apneu, ver­laagd bewust­zijn of col­laps op kun­nen tre­den (er is ook een ver­min­der­de bloed­cir­cu­la­tie naar de her­se­nen meet­baar tij­dens dis­so­ci­a­tie), als­me­de reflex­ma­ti­ge ont­las­ting op gang brengen.
  • we kun­nen dit sys­teem bij rep­tie­len in wer­king zien: bij drei­ging kun­nen zij zich als geen ander ‘dood hou­den’, of zo hun meta­bo­le behoef­ten ver­la­gen om bijv. lang onder water te blij­ven. Bij een klein rep­tie­len­brein is het geen pro­bleem om lan­ge­re tijd wei­nig zuur­stof beschik­baar te hebben.
  • ook kraak­been­vis­sen (haai­en en rog­gen) heb­ben alleen dit systeem.
  • wan­neer dit sys­teem in inge­scha­keld voor de over­le­ving, kun­nen we bijv. erva­ren dat we afge­slo­ten zijn, een hoge­re pijn­drem­pel krij­gen, slap wor­den, het bewust­zijn ver­lie­zen of bui­ten ons­zelf raken (dis­so­ci­ë­ren).
  • van­uit deze laag is het niet mak­ke­lijk om te scha­ke­len naar de sym­pa­ti­cus of naar de VV. Ons zenuw­stel­sel heeft geen effi­ci­ën­te baan om het weer uit te zetten.

Het orthosympatische zenuwstelsel

  • dit sys­teem zien we in de evo­lu­tie voor het eerst bij been­vis­sen. Het draagt bij aan bewe­ging, o.a. aan geco­ör­di­neer­de groeps­be­we­ging, zoals die van een school vis­sen. Bij hoge acti­va­tie wordt het een ver­de­di­gings­sys­teem en remt het het DV systeem.
  • het ont­staan van dit sys­teem (zo’n 400 mil­joen jaar gele­den) was belang­rijk om de rol van de DV te ver­klei­nen. Immers: immo­bi­li­sa­tie kan voor zoog­die­ren dode­lijk zijn, met een brein dat een gro­te behoef­te aan zuur­stof heeft.
  • vaak wordt de kor­te naam ‘sym­pa­ti­cus’ gebruikt.
  • dit sys­teem is (ook) inge­ni­eus samen­ge­steld, door­dat t.h.v. T1 t/m L2 uit het rug­gen­merg uit­tre­den­de zenu­wen met elkaar links en rechts naast de wer­vel­ko­lom een zoge­naam­de sym­pa­ti­sche streng (grens­streng of truncus sym­pa­ti­cus) vor­men. De ver­schil­len­de zenu­wen zijn zo met elkaar gekop­peld dat bij drei­ging in één keer de hele keten geac­ti­veerd en het lichaam als één geheel en onmid­del­lijk in de alarm­stand komt. Het hart gaat snel­ler pom­pen, de bloed­druk stijgt, de adem­fre­quen­tie gaat omhoog, de lever maakt glu­co­se vrij, de lucht­we­gen gaan maxi­maal open; alle­maal acti­va­tie. Tege­lijk heeft de sym­pa­ti­cus invloed op het ver­tra­gen van de spijs­ver­te­ring en afna­me van de eet­lust; de-acti­va­tie dus.
  • een ander effect zien we op het gehoor: bij het ‘aan­gaan’ van de sym­pa­ti­cus scha­kelt ons gehoor over van een afstem­ming op de men­se­lij­ke stem (soc. enga­ge­ment) naar afstem­ming op gelui­den van gevaar (lage tonen van roof­die­ren, hoge tonen van alarmsignalen).
  • de invloed van dit sys­teem op de orga­nen is omge­keerd t.o.v. het dor­saal vaga­le sys­teem. De DV remt orgaan­func­tie, de sym­pa­ti­cus sti­mu­leert. Deze moge­lijk­heid tot ‘fijn­re­gu­le­ring’ maakt dat bij gevaar vis­sen in scho­len samen kun­nen zwem­men, weg­schie­ten en tot stil­stand komen.
  • maar het oude beeld van de “twee­strijd” van de sym­pa­ti­cus als tegen­han­ger van de para­sym­pa­ti­cus is door de PVT bij­ge­steld. Ook als er geen vecht-/vlucht­re­ac­tie nodig is, heb­ben we ortho­sym­pa­ti­sche acti­vi­teit nodig, o.a. voor de regu­la­tie van de bloeds­om­loop en voor een alert en zelf­ver­ze­kerd gevoel. Maar dus NIET voor het aan­gaan van soci­aal gedrag.
  • wan­neer de sym­pa­ti­cus wordt inge­scha­keld t.b.v. vei­lig­heid, erva­ren we een snel­le­re hart­slag en adem­ha­ling en voe­len we ons gespan­nen. De hoe­veel­heid emo­ties die we dan kun­nen tonen is ook sterk beperkt.
  • de sym­pa­ti­cus is nooit hele­maal ‘uit’. Er is altijd een mini­ma­le en met de adem mee fluc­tu­e­ren­de acti­vi­teit om onze hart­slag iets bij te rege­len in het rit­me van de adem. Zo komen we aan onze sinusa­rit­mie en linkt dit weer aan de belang­rij­ke indi­ca­tor voor een goed gere­gu­leerd auto­noom stel­sel: de hartritmevariabiliteit.

Het nieuwste systeem: de ventraal vagale banen

  • deze gemy­e­li­ni­seer­de vaga­le banen zijn ver­ant­woor­de­lijk voor de basa­le vaga­le regu­la­tie van de orga­nen boven het middenrif.
  • in de her­sen­stam (om pre­cies te zijn: medul­la oblon­ga­ta) ont­sprin­gen deze banen uit de nucle­us ambi­guus. Deze kern ligt voor (= ven­traal) de kern waar­uit de ande­re vagus­ba­nen ont­sprin­gen, van­daar de kor­te­re naam ‘ven­tra­le vagus’, vaak afge­kort tot VV. Dit her­sen­stam­ge­bied is in de loop van de evo­lu­tie ver­bon­den geraakt met de aan­stu­ring van de spie­ren van ons aan­ge­zicht: spie­ren voor voed­sel­in­na­me, spie­ren voor luis­te­ren (de mid­den­oor­spie­ren) en spie­ren om rela­ties met ande­ren aan te gaan (om met onze gelaats­uit­druk­king bedoe­lin­gen en emo­ties uit te druk­ken). Het gaat hier om de her­sen­ze­nu­wen N. V, VII, IX en XI.
  • daar­naast is de VV óók ver­bon­den met de adem­ha­ling en de hartslag.
  • dit gemy­e­li­ni­seer­de net­werk ont­stond zo’n 200 mil­joen jaar gele­den en is uit­slui­tend bij zoog­die­ren te vin­den; alle zoog­die­ren heb­ben een VV. Het wordt ook wel de ‘zoog­dier­va­gus’, ‘slim­me vagus’, ‘com­pas­sie­ze­nuw’ of het ‘gezicht-hart­sys­teem’ genoemd. Er zijn aan­wij­zin­gen dat som­mi­ge vogels een equi­va­lent van een VV hebben. 
  • bij de geboor­te is dit sys­teem nog niet hele­maal ‘rijp’. De mye­li­ni­sa­tie begint in het der­de tri­mes­ter van de zwan­ger­schap en duurt tot het eind van het 1e levens­jaar. Een baby die vóór 30 weken zwan­ger­schap gebo­ren wordt, heeft per defi­ni­tie een nog niet uit­ont­wik­kel­de VV.
  • dit der­de sys­teem bete­kent een extra aan­pas­sings­mo­ge­lijk­heid voor zoog­die­ren, die voor­al tot uit­druk­king komt bij het soci­a­le gedrag dat zoog­die­ren kun­nen — moe­ten (!) kun­nen — ver­to­nen. Het wordt dan ook wel het soci­a­le betrok­ken­heids­sys­teem genoemd (SBS), in het Engels soci­al enga­ge­ment sys­tem (SES).
  • dit sys­teem kan de sym­pa­ti­cus afrem­men en zo een vecht-/vlucht­res­pons down­re­gu­le­ren. Je kunt zeg­gen dat de taak van de VV is om de ver­de­di­ging te down­re­gu­le­ren zodat we ons rich­ten op ver­bin­ding en soci­aal gedrag moge­lijk wordt. Dit is bij zoog­die­ren nodig omdat het voor de voort­plan­ting nodig is dat indi­vi­du­en met elkaar samen­wer­ken, min­stens voor de paring.
  • het ven­tra­le sys­teem is alleen beschik­baar als het sig­na­len van vei­lig­heid opvangt. Als het inge­scha­keld is, wer­ken de ande­re twee sys­te­men (DV en sym­pa­ti­cus) har­mo­nisch samen t.b.v. onze home­o­sta­se. Het geeft ove­ri­gens niet alleen sig­na­len ven vei­lig­heid af, maar zoekt daar ook naar bij anderen.
  • het net­werk kal­meert niet alleen onze inwen­di­ge toe­stand maar maakt ook de beweeg­lijk­heid van het aan­ge­zicht moge­lijk, waar­door ook onze stem pro­so­disch kan wor­den. Door de samen­wer­king van de her­sen­ze­nu­wen V, VII, IX, X en XI gaan ogen, oren, stem en gelaat samen­wer­ken met het hart.
  • van­we­ge het inscha­ke­len van de VV heb­ben com­pas­sie-oefe­nin­gen een posi­tief effect op de gezond­heid, ver­min­de­ren zij stress en sti­mu­le­ren zij het immuun­sys­teem. VV acti­vi­teit is goed voor ieder­een en de hele wereld!
  • luis­te­ren is een ingang om het vol­le­di­ge SBS te triggeren.

Naast deze moto­ri­sche sys­te­men is er een der­de vagus­baan van belang, die sen­so­risch is en in de her­sen­stam ein­digt in nucle­us trac­tus soli­ta­ri­us.

Wat de vagale banen gemeen hebben

Van belang is te begrij­pen dat BEIDE vaga­le banen, dus zowel dor­saal als ven­traal, zor­gen voor immo­bi­li­sa­tie, maar wel twee heel ver­schil­len­de soor­ten immo­bi­li­sa­tie, geba­seerd op twee ver­schil­len­de fysi­o­lo­gi­sche toe­stan­den, twee ver­schil­len­de typen gedrag en een zeer ver­schil­lend effect op de orga­nen…
Dor­saal: immo­bi­li­sa­tie mét angst -> ver­star­ring, bevrie­zing;
Ven­traal: immo­bi­li­sa­tie zón­der angst -> relaxa­tie en her­stel. Hier­bij speelt de DV ook een rol, nl. om de orga­nen in her­stel­stand te bren­gen, meer ‘slow­down’ dan een ‘shut­down’ dus.

Voorbeelden:

Een beer in win­ter­slaap kan niet hele­maal ‘uit’ gaan, er blijft acti­vi­teit nodig t.b.v. de lichaams­tem­pe­ra­tuur. Een schild­pad daar­en­te­gen kan wél hele­maal ‘uit’, deze is koud­bloe­dig. Daar­om kan een shut­down bij een zoog­dier nooit zo lang duren en diep zijn als bij een rep­tiel en heeft een zoog­dier een VV nodig. 

Een muis die merkt dat er een roof­vo­gel in de buurt is, vlucht niet, want dat ziet de roof­vo­gel met zijn scher­pe ogen. De muis bevriest, waar­bij zijn adem bij­na nul wordt. Dat is maar goed ook, want een roof­vo­gel kan zelfs de adem­ha­ling van een muis waar­ne­men. Wan­neer de muis ech­ter té hard schrikt, kan de shut­down té diep zijn en schrikt hij zich let­ter­lijk dood: de adem bevriest te lang. Veel mui­zen schij­nen te ster­ven aan shut­down door de schrik van een roof­vo­gel of een slang.

Twee gecombineerde autonome toestanden

Zoals altijd zijn de zaken niet zwart-wit. De ver­schil­len­de auto­no­me sys­te­men staan niet alleen maar aan of uit, maar zijn regel­baar, wer­ken samen en heb­ben aller­lei terug­kop­pe­lings­me­cha­nis­men. Twee voorbeelden:

Spelen

Als we gedrags­ma­ti­ge ele­men­ten van vech­ten — sym­pa­ti­sche acti­vi­teit, door­dat de vaga­le rem ont­spant — com­bi­ne­ren met oog­con­tact en met elkaar betrok­ken blij­ven (SBS) dan ont­staat spe­len, en bij vol­was­se­nen ook wel sexu­a­li­teit. Ook spor­ten kan van­uit een poly­va­gaal per­spec­tief een vorm van spe­len zijn, alhoe­wel er tegen­woor­dig zoveel com­pe­ti­tie is dat vaak de over­le­vings­me­cha­nis­men inge­scha­keld wor­den — de vaga­le rem ont­spant teveel en het hele sym­pa­ti­sche sys­teem gaat aan.

Spe­len is eigen­lijk mobi­li­sa­tie PLUS inhi­bi­tie van mobi­li­sa­tie. Er wor­den vaar­dig­he­den op het gebied van toe­stands­re­gu­la­tie ont­wik­keld, zón­der angst.

Por­ges for­mu­leer­de het in poly­va­ga­le ter­men erg mooi: “spe­len ver­eist weder­ke­ri­ge en syn­chro­ne inter­ac­ties waar­bij het soci­a­le-betrok­ken­heids­sys­teem als een regu­la­tor van mobi­li­sa­tie­ge­drag wordt gebruikt”. Zo bezien is het logisch dat spe­len een goe­de oefe­ning is voor de flexi­bi­li­teit van het auto­no­me zenuw­stel­sel; het regu­le­rend ver­mo­gen van het ven­traal vaga­le sys­teem wordt geoe­fend. Hier­door ver­loopt de auto­no­me regu­la­tie niet allen snel­ler, maar ook soepeler.

Nb.: Gamen op de com­pu­ter is meest­al niet spe­len in de poly­va­ga­le zin: er is name­lijk geen soci­a­le inter­ac­tie; wél vaak acti­va­tie van de sym­pa­ti­cus. Spor­ten in de sport­school gebeurt vaak solo, zon­der oog­con­tact, mét mobi­li­sa­tie. Deze twee voor­beel­den zijn dus poly­va­gaal gezien fei­te­lijk vecht-/vlucht­ge­drag.

Stilte en intimiteit

Om aan onze aan­ge­bo­ren behoef­te aan zorg en gene­gen­heid tege­moet te komen, is het van belang dat we de ver­de­di­gings­me­cha­nis­men uit kun­nen zet­ten en een toe­stand van vei­li­ge immo­bi­li­sa­tie kun­nen berei­ken. We com­bi­ne­ren dan immo­bi­li­sa­tie (DV) met ver­bon­den­heid (SBS), zodat we rus­tig kun­nen lig­gen met ons hoofd in de schoot van onze gelief­de, of een ande­re vorm van voe­den­de ver­stil­ling kun­nen vinden. 

Bekend is dat de nucl. dor­sa­lis moto­ri­us (waar­uit de DV ont­springt) recep­to­ren heeft voor oxy­to­ci­ne. Zo zijn fylo­ge­ne­tisch oude struc­tu­ren, bedoeld voor ver­de­di­ging, betrok­ken geraakt bij spe­len en intimiteit.

Voor men­sen met een trau­ma­ti­sche voor­ge­schie­de­nis kan het tot stil­stand komen in een toe­stand van vei­li­ge immo­bi­li­sa­tie, juist onvei­lig­heid oproe­pen. Dit kan bij soci­a­le inter­ac­tie of inti­mi­teit nóg gro­te­re vor­men aan­ne­men. De ven­tra­le vagus is niet in staat de sym­pa­ti­sche acti­ve­ring te inhi­be­ren. In poly­va­ga­le ter­men gezegd is het van belang dat vol­doen­de sig­na­len van vei­lig­heid van­uit een ander auto­noom zenuw­stel­sel nodig zijn (core­gu­la­tie) en dat de vaga­le rem oefe­ning nodig heeft om zelf­re­gu­la­tie moge­lijk te maken. Let ook op de volg­or­de: poly­va­gaal gezien pro­be­ren we altijd eerst vei­lig­heid via core­gu­la­tie te berei­ken, voor­dat we over­scha­ke­len op zelfregulatie. 

We zouden dus kunnen zeggen dat het AZS vijf toestanden heeft waarin het kan verkeren.

Supra- en sub-diafragmatisch

Behal­ve in fylo­ge­ne­ti­sche ouder­dom is de func­tie van de n. vagus ook onder te ver­de­len in ruim­te­lij­ke zin:

  • de supra-dia­frag­ma­ti­sche (supra = boven, dia­frag­ma = mid­den­rif) orga­nen zijn eigen­lijk alleen het hart en de lon­gen. Deze wor­den geïn­ner­veerd door met name de gemy­e­li­ni­seer­de vagus (VV), maar ook door de sym­pa­ti­cus (zodat we in actie kun­nen komen) én er zijn een beperkt aan­tal onge­my­e­li­ni­seer­de vaga­le vezels (DV) die ook bij vol­was­se­nen bra­dy­car­die en bra­dyp­neu kun­nen ver­oor­za­ken. Immers: rep­tie­len heb­ben ook regu­la­tie van hart­slag en adem­ha­ling nodig; maar bij hen is het niet erg wan­neer deze regu­la­tie een beet­je door­schiet; zij kun­nen pri­ma een tijd­je met een lage­re hart­slag toe.
    (Voor de vol­le­dig­heid: ook de sym­pa­ti­cus heeft tak­ken die het hart en de lon­gen beïn­vloe­den. Deze vita­le func­ties kun­nen dus alle­drie de hoofd­sys­te­men van het AZS beïn­vloed worden.)
  • de sub-dia­frag­ma­ti­sche (sub = onder) orga­nen wor­den door voor­na­me­lijk onge­my­e­li­ni­seer­de vaga­le banen geïnnerveerd.

Er is dus een rela­tie: de oude struc­tu­ren inner­ve­ren voor­al het buik­ge­bied, de nieu­we­re struc­tu­ren voor­al het borst­ge­bied. Vol­le­dig­heids­hal­ve moet ver­meld wor­den dat de nieu­we­re struc­tu­ren ook het hoofd en aan­ge­zicht inner­ve­ren (in de let­ter­lij­ke zin nog steeds supra-dia­frag­ma­tisch 😉 ), maar dan door de ande­re her­sen­ze­nu­wen die bij het soci­a­le sys­teem betrok­ken zijn: de her­sen­ze­nu­wen N. V, VII, IX en XI.

Vagale tonus

Een bete­re term is car­di­a­le vaga­le tonus, omdat dit is wat in de lite­ra­tuur bedoeld wordt: de invloed van de ven­traal vaga­le banen op de fre­quen­tie van het hart. De vaga­le tonus wordt bepaald aan de hand van de hartritmevariabiliteit.

De vagale rem

Dit is een prach­tig inge­bouwd mecha­nis­me dat stan­daard ons hart­rit­me — dat o.i.v. de natuur­lij­ke sym­pa­ti­cus­ac­ti­vi­teit staat — via de ven­tra­le vagus iets ver­traagt en wat mee laat fluc­tu­e­ren met het adem­rit­me. Hier­door ont­staat er een res­pi­ra­toi­re sinusa­rit­mie, die dus een maat is voor func­ti­o­ne­ren van de VV.

Ons hart­rit­me zou zon­der de vaga­le rem tegen de 100 sla­gen per minuut zijn, dit is het intrin­sie­ke rit­me van de sinus­knoop in de rech­ter­boe­zem van het hart, van waar­uit onze hart­fre­quen­tie nor­ma­li­ter bepaald wordt. De vaga­le rem inhi­beert de natuur­lij­ke sym­pa­ti­cus­ac­ti­vi­teit en zorgt voor een hart­slag rond de 70. Op de ina­de­ming gaat de vaga­le rem er iets af en stijgt de hart­fre­quen­tie een beet­je, op de uit­a­de­ming gaat het uiter­aard andersom.

Zo kun­nen we zón­der de sym­pa­ti­cus zover te acti­ve­ren dat adre­na­li­ne en cor­t­i­sol vrij­ko­men, de hart­slag met 10 tot 20 sla­gen ver­ho­gen door de vaga­le rem eraf te halen. Dit is vol­doen­de voor de mees­te dage­lijk­se werk­zaam­he­den. Een (bij een gezond per­soon) fijn regel­baar sys­teem voor lich­te mobi­li­sa­tie zon­der vecht- of vlucht-sym­pa­ti­cus-actie, en waar­bij de VV regu­la­tie behou­den blijft!

Wan­neer de vei­lig­heid in gevaar is, wordt de vaga­le rem hele­maal los­ge­la­ten, waar­door het sym­pa­tisch sys­teem hele­maal aangaat.

Trau­ma­ti­sche erva­rin­gen onder­mij­nen het ver­mo­gen tot soe­pel regu­le­ren van de vaga­le rem. Het ver­mo­gen tot core­gu­le­ren is hier­bij ver­min­derd. We zien dan vaak ook een ver­min­der­de hartritmevariabiliteit.

Ook bij een gesprek is de vaga­le rem wis­se­lend actief, zodat we ons goed op de ander kun­nen afstem­men. De vaga­le rem laat los wan­neer we spre­ken en wordt weer wat aan­ge­trok­ken wan­neer we op de luis­ter­stand gaan. Ide­a­li­ter stem­men we auto­ma­tisch spre­ken en luis­te­ren op de ander af. Dat geeft een neu­ra­le ver­wach­ting van weder­ke­rig­heid. Als deze auto­no­me afstem­ming niet soe­pel loopt, erva­ren we dat een gesprek stroef loopt en ligt bio­lo­gi­sche bot­heid en het ver­bre­ken van de ver­bin­ding op de loer.

Praktische ‘weetjes’

  • als de VV ofte­wel het SBS actief is, wordt ieder ver­de­di­gings­sys­teem onder­drukt (gedown­re­gu­leerd).
  • het belang van het evo­lu­ti­o­nair samen­gaan van de vaga­le banen met de regu­la­tie van het gezicht moge dui­de­lijk zijn: hier­door komt onze fysi­o­lo­gi­sche toe­stand tot uit­druk­king in ons gelaat en weten we als zoog­dier wan­neer we een ander zoog­dier beter niet kun­nen bena­de­ren als die bijv. in de fysi­o­lo­gi­sche toe­stand van woe­de verkeert.
  • hoe­wel de neu­ra­le basis en de hië­rar­chie vast­lig­gen, is het wél zo dat dezelf­de gebeur­te­nis bij ver­schil­len­de men­sen ver­schil­len­de neu­ro­cep­tie­ve reac­ties kan trig­ge­ren, met ver­schil­len­de fysi­o­lo­gi­sche res­pon­sen tot gevolg.
  • bij ver­schil­len­de licha­me­lij­ke klach­ten kan het vagus­sys­teem een rol spe­len. Voor­beeld: er zijn aan­wij­zin­gen dat PDS/IBS samen­gaat met een te hoge DV acti­vi­teit, óf juist met een te hoge sym­pa­ti­cus, waar­door de DV teveel gedempt wordt.
  • onze taal geeft een aan­tal mooie aan­wij­zin­gen voor de wer­king van ons zenuwstelsel:
    • iemand heeft een onder­buik­ge­voel (Engels: gut-feeling);
    • zo kan ook de schrik je om het hart slaan;
    • als de schok voor­bij is: weer bij zin­nen komen (Engels: coming to our senses);
    • iemand staat op het punt van shut­down: met knik­ken­de knieën.
  • bij psy­chi­a­tri­sche aan­doe­nin­gen zien we — naast ver­schil­len­de vor­men van gees­te­lijk lij­den — vaak een aan­tal geza­men­lij­ke ande­re ken­mer­ken. Veel psy­chi­a­trisch pati­ën­ten heb­ben last van audi­tie­ve over­ge­voe­lig­heid, moei­te met oog­con­tact, een vlak­ke gelaats­uit­druk­king, een gebrek aan pro­so­die, chro­ni­sche buik­klach­ten. Dit zijn alle­maal ken­mer­ken van een gedis­re­gu­leerd auto­noom zenuwstelsel

De andere hersenzenuwen die van belang zijn in de polyvagaaltheorie

Ont­re­ge­ling van het auto­no­me zenuw­stel­sel is nooit een zaak van alleen de N. Vagus (N. X) of een ande­re her­sen­ze­nuw of brein­struc­tuur. Het is altijd een samen­spel. Zoals genoemd spe­len ook de her­sen­ze­nu­wen V, VII, IX en XI een rol bij soci­a­le betrok­ken­heid. Laten we eens een aan­tal moge­lij­ke pro­ble­men beschrij­ven die hier kun­nen ont­staan bij auto­no­me ontregeling.

N. V, de drielingzenuw

Ook wel de tri­ge­mi­nus genoemd. Een belang­rij­ke zenuw voor de mond- en kaak­spie­ren en de gevoe­lig­heid van het gelaat. 

N. VII, de aangezichtszenuw

Ver­zorgt de mees­te gelaats­spie­ren en heeft daar­mee gro­te invloed in het tonen van gevoe­lens en emo­ties en daar­mee een toon­beeld zijn voor het al dan niet onli­ne zijn van ons soci­aal betrok­ken­heids­sys­teem en de VV.

N. V en N. VII en het gehoor…

Deze bei­de her­sen­ze­nu­wen ver­zor­gen dus samen de aan­stu­ring en het gevoel van het gelaat. Grof­weg kun je zeg­gen dat N. VII de aan­stu­ring doet en N. V het voe­len. Maar bei­de ner­vi heb­ben ook belang­rij­ke rol in het horen, door­dat zij de mid­den­oor­spie­ren bedie­nen (N. V de m. tym­pa­ni ten­sor en N. VII de m. sta­pe­di­us). Deze spie­ren hel­pen ons bepaal­de geluids­fre­quen­ties bin­nen de per­ken te hou­den, zodat we de spreek­fre­quen­ties opti­maal kun­nen waar­ne­men. Van groot belang dus voor ons soci­a­le systeem. 

Het ont­re­geld zijn van het auto­no­me zenuw­stel­sel en deze spier­func­tie maakt dan ook dat het las­ti­ger kan zijn om gesprek­ken te vol­gen en dat er audi­tie­ve over­ge­voe­lig­heid op kan tre­den, waar­mee de cir­kel van ont­re­ge­ling rond is…

Ook tand­heel­kun­di­ge behan­de­lin­gen en let­sels van het sphe­no­ïd kun­nen de func­tie van deze twee her­sen­ze­nu­wen nega­tief beïnvloeden.

N. IX

Behal­ve de tong en keel, heeft deze zenuw ook belang bij het rege­len van de bloed­druk en de adem­ha­ling. Hij heeft name­lijk een aftak­king in de hals­slag­ader waar hij het CO2 gehal­te van het bloed kan meten als­me­de de bloeddruk.

N. X

De ner­vus vagus is hier­bo­ven al uit­ge­breid aan bod geko­men, en heeft ook nog een eigen Relaxi­con-pagi­na

N. XI

Deze zenuw wordt wel gezien als een hele belang­rij­ke voor het wel­zijn van ons hele bewe­gings­stel­sel. Een ont­re­ge­ling van deze zenuw kan ervoor zor­gen dat twee voor­naams­te spie­ren die erdoor aan­ge­stuurd wor­den — de m. tra­pe­zi­us en de m. ster­no­clei­do­mas­toi­de­us, twee spie­ren die de bewe­gin­gen van ons hoofd en nek ver­zor­gen — ‘over­span­nen’ raken, waar­door een stij­ve nek, migrai­ne, schou­der- en rug­pro­ble­men kun­nen ontstaan.

Vol­gens som­mi­ge des­kun­di­gen mogen we ten behoe­ve van de prak­tijk best de her­sen­ze­nu­wen IX, X en XI als één beschou­wen. Als er één ont­re­geld is, zijn ze meest­al alle­drie ontregeld. 

Meer praktische weetjes over de polyvagaaltheorie

  • het down­re­gu­le­ren van de VV leidt tot het ver­lie­zen van spier­to­nus in het gelaat en de mid­den­oor­spie­ren, waar­door de oren hyper­ge­voe­lig wor­den voor gelui­den met een lage fre­quen­tie, die we van natu­re asso­ci­ë­ren met gevaar. Hier­door wordt het moei­lij­ker om spraak te begrijpen.
  • bij men­sen met een vlak affect is meest­al de vaga­le regu­la­tie ver­min­derd, waar­door zij snel­ler in een sym­pa­ti­sche (vecht- of vlucht-)respons zul­len schie­ten. Als dit op jon­ge leef­tijd al vaak gebeurt, kan het lei­den tot taalachterstand.
  • vaak zien we dat bij men­sen met een emo­tie­re­gu­la­tie­stoor­nis een afwij­king is in de neu­ro­mus­cu­lai­re aan­stu­ring van het gelaat. Dit is dus een stoor­nis in de regu­la­tie van de gemy­e­li­ni­seer­de vagus, die een deel is van het net­werk dat ook de func­ties van de orga­nen regu­leert. Zo is de visie vol­gens de PVT dat bij men­sen met psy­chi­sche of psy­chi­a­tri­sche stoor­nis­sen en buik­klach­ten of klach­ten van hart en lon­gen niet spra­ke is van twee ver­schil­len­de ziek­te­beel­den, maar één cen­traal onder­lig­gend probleem.
  • het injec­te­ren van Botox in de boven­ste helft van het gelaat kan lei­den tot een ver­keerd inter­pre­te­ren van iemands affect, door­dat de func­tie van oog­kring­spier, die bij­dra­gen aan het tonen van blijd­schap en geluk, min­der zicht­baar wordt. Ook medi­cij­nen met een anti-cho­liner­ge wer­king kun­nen de fysi­o­lo­gi­sche toe­stand en de emo­ti­o­ne­le expres­sie verminderen.
  • men­sen zijn bio­lo­gisch ‘gepro­gram­meerd’ om zich te ver­bin­den met ande­re men­sen. Ver­bin­ding is een ‘bio­lo­gisch impe­ra­tief’. Bij trau­ma is dit ver­mo­gen beperk­ter geworden.

Dit arti­kel is ook te vin­den via www.polyvagaaltheorie.nl.

Foto boven: Hala­cious on Uns­plash

« Naar Relaxicon begrippenlijst
Scroll to Top