Home » Learn More » Gezond en ziek » Verbinding als gezondheidsinterventie

Verbinding als gezondheidsinterventie

Van de wieg tot het graf zijn we afhan­ke­lijk van ande­ren. Zon­der ver­bin­ding met ande­ren zou de men­se­lij­ke soort niet over­le­ven. We beschik­ken over een aan­ge­bo­ren ver­mo­gen tot com­pas­sie en zorg. Of we nu we zelf pijn voe­len of zien dat een ander lijdt, maakt voor het brein niets uit. Uit­slui­ting uit een soci­a­le groep wordt door het brein pre­cies het­zelf­de ver­werkt als inten­se licha­me­lij­ke pijn. Die ver­wer­king vindt plaats via exact dezelf­de neu­ra­le netwerken.

Het sociale brein

Sinds de jaren negen­tig van de vori­ge eeuw ken­nen we het begrip ‘soci­a­le neu­ro­we­ten­schap’ in het vak­ge­bied ‘Cog­ni­ti­ve and Soci­al Neu­ro­s­cien­ce’ is inmid­dels uit­ge­groeid tot een speer­punt in de weten­schap van de een­en­twin­tig­ste eeuw. Door onder ande­re gebruik te maken van de func­ti­o­ne­le MRI (fMRI), krij­gen we steeds beter zicht op de wer­king van het zoge­naam­de soci­a­le brein. Het soci­a­le brein is geen dui­de­lijk aan­wijs­baar gebied in de her­se­nen, maar meer een bruik­baar con­cept om com­plexe samen­wer­ken­de sys­te­men aan te dui­den. Het is een optel­som van neu­ra­le mecha­nis­men die onze gedach­ten, gevoe­lens en inter­ac­ties met ande­ren vormgeven. 

Waar alle ande­re bio­lo­gi­sche sys­te­men in het lichaam hun acti­vi­tei­ten regu­le­ren door impul­sen van­uit het lichaam zelf, is het soci­a­le brein uniek in zijn gevoe­lig­heid voor impul­sen bui­ten het lichaam. Iede­re keer dat we oog‑, huid- of stem­con­tact maken met een ander mens, vindt er een afstem­ming van de soci­a­le brei­nen van bei­de indi­vi­du­en plaats. Gege­ven het feit dat de her­se­nen neu­ro­plas­tisch zijn, het­geen wil zeg­gen dat ze zich ont­wik­ke­len en aan­pas­sen aan ver­an­de­ren­de omstan­dig­he­den, blij­ken soci­a­le inter­ac­ties een rol te kun­nen spe­len bij de her­struc­tu­re­ring van de her­se­nen. Zo kun­nen her­haal­de­lij­ke emo­ti­o­ne­le steun, maar ook chro­ni­sche pijn en woe­de van een ander, onze her­se­nen veranderen.

Meerdere routes

Wan­neer we ons op een ander afstem­men, ook wel rap­port genoemd, zijn er een twee­tal rou­tes moge­lijk in de her­se­nen. De snel­le, onbe­wus­te rou­te via lage­re her­sen­de­len maakt emo­ti­o­ne­le besmet­ting moge­lijk, waar­door we onbe­wust de gemoeds­toe­stand of pijn van een ander over­ne­men. Daar­naast is er een tra­ger ver­lo­pen­de, zoge­naam­de hoge­re rou­te voor een meer bewus­te en door­dach­te res­pons. Hier­bij wor­den onze emo­ties gedempt door­dat de amygda­la (ther­mo­staat van angst) tot rust komt, zodat onze reac­ties aan­ge­past en effec­tief zijn. Bewust ver­bin­ding maken met een ander vraagt om vaar­dig­he­den die te leren zijn. Aan­we­zig zijn in het moment en luis­te­ren zon­der oor­deel maakt ruim­te voor ver­trou­wen en uit­wis­se­ling van waar­de­vol­le informatie.

Het soci­a­le brein heeft zich het sterkst ont­wik­keld in zoog­dier­soor­ten die voor hun over­le­ving afhan­ke­lijk waren van het leven in een groep. Evo­lu­ti­o­nair psy­cho­lo­gen bewe­ren dat het soci­a­le brein zich heeft ont­wik­keld in ant­woord op de eisen die het leven in een groep stelt: dat je voor het ver­krij­gen van voed­sel en onder­dak samen kunt wer­ken, dat je geza­men­lijk je kroost kan ver­zor­gen en bescher­men en dat je weet wie de macht heeft en op wie je kunt reke­nen als je moei­lijk­he­den hebt. 

De basis voor sociaal functioneren

Sym­pa­thie, empa­thie en com­pas­sie zijn de basis voor ons func­ti­o­ne­ren als soci­a­le wezens. Bij sym­pa­thie her­ken­nen we iets van ons­zelf in de ander en kun­nen we de ander van­uit ons eigen gezichts­punt begrij­pen. Bij empa­thie zet­ten we ons­zelf als het ware in de posi­tie van de ander door bij­voor­beeld non-ver­ba­le com­mu­ni­ca­tie te spie­ge­len. Via spie­gel­neu­ro­nen (her­sen­ge­bie­den die actief wor­den als we een han­de­ling door een ander waar­ne­men) en inle­vings­ver­mo­gen erva­ren we emo­ties van de ander als waren het onze eigen emo­ties. We blij­ken over het alge­meen meer empa­thie te heb­ben voor mooie men­sen, men­sen die qua uiter­lijk op ons lij­ken en voor kin­de­ren. Som­mi­ge men­sen zijn van natu­re meer empa­thisch dan ande­ren en empa­thie wordt dan ook gezien als een per­soon­lijk­heids­ei­gen­schap en een belang­rij­ke com­po­nent van emo­ti­o­ne­le intel­li­gen­tie (EQ). Empa­thie is het onbe­wust lezen en erva­ren van de emo­ties van de ander. Als we vaak in een emo­tie­vol­le omge­ving zijn en empa­thisch, zoals veel hulp­ver­le­ners, kan dit lij­den tot zoge­naam­de empa­thie­ver­moeid­heid en burn-out. 

Com­pas­sie wordt door de Dik­ke Van Dale ver­taald met mede­lij­den. In onze cul­tuur hou­den we niet van dit woord, omdat we het asso­ci­ë­ren met machts­ver­schil waar­in dege­ne met de mees­te macht of geld neer­bui­gend mede­lij­den heeft met dege­ne die min­der bedeeld is. Com­pas­sie is ech­ter beter te ver­ta­len met mede­le­ven of mede­do­gen. Bij com­pas­sie her­ken­nen we pijn, leed en ver­driet bij de ander en we rea­ge­ren hier­op met een reac­tie van ver­bon­den­heid. Deze reac­tie van ver­bon­den­heid kan, afhan­ke­lijk van de situ­a­tie, een arm om iemand heen­slaan, een hand vast­pak­ken of een luis­te­rend oor zijn. Com­pas­sie maakt ons medemenselijk. 

Aanwezigheid stelt gerust

Men­se­lij­ke inter­ac­ties heb­ben fysi­o­lo­gi­sche effec­ten. Zo blijkt de aan­we­zig­heid van een gelief­de, al is het slechts als foto, een pijn­re­du­ce­rend effect te heb­ben. Pati­ën­ten die post­o­pe­ra­tief pijn­me­di­ca­tie krij­gen zon­der tus­sen­komst van een arts of ver­pleeg­kun­di­ge maar via een pomp, blij­ken 50 pro­cent meer pijn­stil­ling nodig te heb­ben. De gerust­stel­len­de men­se­lij­ke aan­we­zig­heid bij pijn­be­strij­ding kan ver­ge­le­ken wor­den met de toe­die­ning van acht mg morfine.[1] Het werkt ook anders­om. Zo wordt er meer pijn erva­ren als een ver­pleeg­kun­di­ge de pijn­me­di­ca­tie zon­der over­leg stopt, dan wan­neer een pomp met pijn­me­di­ca­tie het niet meer doet. Met de weten­schap dat het ver­trou­wen afneemt als iemand merkt dat de ander zijn/haar emo­ties niet spie­gelt of niet ade­quaat rea­geert, is dat niet verwonderlijk. 

De zorg is ‘klinisch’ geworden

In de hui­di­ge zorg heb­ben we de nei­ging om het fun­da­men­te­le aspect van heling, de inter­men­se­lij­ke con­nec­tie, te nege­ren. In de regu­lie­re zorg is dat niet ver­won­der­lijk. De medi­sche oplei­ding is immers geba­seerd op de idee­ën van Sir Wil­li­am Osler, die in 1912 stel­de dat dok­ters hun emo­ties moesten neu­tra­li­se­ren en slechts met cog­ni­tie­ve hel­der­heid hun pati­ën­ten kon­den bestu­de­ren. Dit werd nog eens her­be­ves­tigd in de jaren 50 en 60 van de vori­ge eeuw door publi­ca­ties in toon­aan­ge­ven­de medi­sche vak­bla­den, waar­in gesteld werd dat dok­ters zich moesten dis­tan­ti­ë­ren van de emo­ties en het lij­den van hun pati­ën­ten voor de meest effec­tie­ve zorg. 

Hoe­wel er in de recen­te jaren meer aan­dacht is voor empa­thie en com­pas­sie, zeker bij com­ple­men­tai­re zorg­ver­le­ners, is dis­tan­tie in de zorg nog steeds de norm. Ech­ter, als dok­ters en zorg­vra­gers de moge­lijk­heid heb­ben zich met elkaar te ver­bin­den, wor­den er min­der dia­gnos­ti­sche tests en inter­ven­ties uit­ge­voerd. Dat werd bij­voor­beeld gezien bij onder­zoek onder 100 huis­art­sen in New York.[2] Boven­dien blij­ken pati­ën­ten van empa­thi­sche zorg­ver­le­ners lage­re cho­les­te­rol­waar­den en glu­co­se­spie­gels bij dia­be­tes mel­li­tus te heb­ben. Onder­zoe­kers con­clu­de­ren dan ook dat de weten­schap dat iemand om je geeft, helpt om beter voor jezelf te zorgen.[3]

Aantoonbare effecten van verbinding

Ver­bin­ding doet ook iets goeds met je immuun­sys­teem, zoals bij­voor­beeld blijkt uit de stij­ging van immu­no­glo­bu­li­ne A (IgA) bij 132 Ame­ri­kaan­se col­le­ge­stu­den­ten die keken naar een film waar­in moe­der Tere­sa arme kin­de­ren en lepra­lij­ders helpt.[4] Een ander voor­beeld van het effect van ver­bin­ding is een onder­zoek bij 350 pati­ën­ten met neus­ver­koud­heid. De deel­ne­mers had­den in de voor­gaan­de 48 uur een loop­neus, zere keel en alge­me­ne malai­se gehad en wer­den in drie groe­pen ver­deeld. De ene groep kreeg een con­sult van een afstan­de­lij­ke arts en de ande­re groep kreeg een empa­thisch con­sult. De con­tro­le­groep werd niet gezien. De deel­ne­men­de art­sen waren van tevo­ren getraind in hoe ze een afstan­de­lijk en een empa­thisch con­sult kon­den voe­ren.
Het empa­thisch con­sult werd uit­ge­voerd vol­gens het ‘recupe’-model, waar­bij de naam ver­wijst naar het woord recu­pe­re­ren ofte­wel her­stel­len na een kracht­in­span­ning. In dit model staat de R voor de reden van komst (in dit geval neus­ver­koud­heid), de E voor empa­thie, C voor con­nec­tie, de U geeft aan dat er tij­dens het con­sult uit­leg wordt gege­ven over de aard van de aan­doe­ning en de moge­lijk­he­den om zelf bij te dra­gen aan her­stel, de P voor het geven van een posi­tie­ve prog­no­se en de E ten­slot­te voor empo­we­ring of bekrach­ti­gen van de zorg­vra­ger dat hij/zij in staat is zelf een bij­dra­ge te leve­ren aan het her­stel­pro­ces. Bij de zorg­vra­gers wer­den mon­sters afge­no­men om de ernst van de infec­tie te vol­gen en ze wer­den dage­lijks gebeld met de vraag hoe ze zich voel­den. De zorg­vra­gers die een empa­thisch con­sult had­den onder­gaan, ble­ken een dag eer­der symp­toom­vrij te zijn. Boven­dien ble­ken de neu­tro­fie­len in de neus en de inter­leu­ki­ne 8‑waarden sig­ni­fi­cant hoger, het­geen een uiting is van een lichaam dat har­der aan het werk is om een virus­in­fec­tie te bestrijden. 

Tweerichtingsverkeer

Ook zorgvra­gers lij­ken het helen­de aspect van inter­men­se­lij­ke con­nec­tie onvol­doen­de te waar­de­ren. Ze vra­gen een oplos­sing voor hun gezond­heids­pro­bleem in de vorm van pil, kruid of the­ra­peu­ti­sche han­de­ling en gaan voor­bij aan het effect van con­nec­tie met een ander. Om je beter te voe­len is een inter­ac­tie met ele­men­ten van hoop, ver­trou­wen, wijs­heid, dank­baar­heid, zorg en weder­zijds res­pect behulp­zaam. Zo kun­nen we zelfs zon­der offi­ci­ë­le the­ra­peu­ti­sche inter­ven­tie elkaars gezond­heid en wel­be­vin­den ver­be­te­ren. En dat heeft ook posi­tie­ve con­se­quen­ties voor de zorg­ver­le­ner. Want bij con­nec­tie is er spra­ke van twee­rich­tings­ver­keer. De posi­tie­ve gezond­heids­ef­fec­ten van inter­men­se­lij­ke ver­bin­ding voor de zorg­vra­ger zijn er dus ook voor de zorgverlener. 

Het autonome zenuwstelsel in balans

Zoals ook beschre­ven door het con­cept van Posi­tie­ve Gezond­heid, is een per­soon­lijk gevoel van bete­ke­nis heb­ben een belang­rijk ingre­di­ënt voor gezond­heid. Bij­voor­beeld een doel in het leven, een bij­dra­ge aan de wereld of ande­ren hel­pen. Neu­ro­we­ten­schap­pe­lijk onder­zoek heeft laten zien dat de belo­nings­net­wer­ken in het brein actief wor­den als we con­nec­tie maken, iets geven of ande­ren hel­pen. Daar­naast blijkt actie­ve bezorgd­heid om ande­ren, altru­ïs­me en com­pas­sie niet alleen spie­gel­neu­ro­nen te acti­ve­ren, maar ook de acti­vi­teit van de zenuw voor ont­span­ning en her­stel, de ner­vus vagus, te vergroten.[6]

Nor­ma­li­ter gebrui­ken we inter­ven­ties als yoga, tai chi of qig­ong, adem­ha­lings­oe­fe­nin­gen en mas­sa­ge om de acti­vi­teit van de ner­vus vagus te ver­gro­ten. Door com­pas­sie­vol ver­bin­ding te maken met zorg­vra­gers doen we als zorg­ver­le­ners dus niet alleen iets goeds voor onze cliënten/patiënten maar ook voor ons­zelf. Het poten­ti­eel van com­pas­sie is er altijd. We die­nen het ech­ter wel te onder­hou­den. Bij­voor­beeld door her­haal­de­lijk terug­ke­ren, pau­ze­ren en focus­sen, zoals in het kader van mind­ful­ness, waar­bij je spie­gel­neu­ro­nen gevoe­li­ger wor­den voor de emo­ties van ande­ren. Hier­door wordt ver­bin­dend com­mu­ni­ce­ren gemak­ke­lij­ker en ont­staat er eer­der een com­pas­sie­vol­le ver­bin­ding met de zorg­vra­ger. Hier­door sti­mu­leer je ook je eigen ner­vus vagus-acti­vi­teit. En dat is weer goed voor je eigen rust en herstel.

Bronnen

  1. Col­lo­ca L, Lopi­a­no L, Lanot­te M, Bene­det­ti F. Overt ver­sus covert tre­at­ment for pain, anxi­ety, and Parkinson’s disea­se. Lan­cet Neu­rol. 2004, 3(11):679–684
  2. Epstein RM, Franks P, Shields CG, Mel­drum SC, Mil­ler KN, Camp­bell TL, Fis­cel­la K. Patient-Cen­te­red Com­mu­ni­ca­ti­on and Dia­gnos­tic Tes­ting. Ann Fam Med. 2005, 3:415–421
  3. Hojat M, Louis DZ, Markham FW, Wen­der R, Rabi­no­witz C, Gon­nel­la JS. Phy­si­cians’ empa­thy and cli­ni­cal out­co­mes for dia­be­tic patients. Acad Med. 2011; 86(3):359–364
  4. McClel­land DC, Kirs­h­nit C. The effect of moti­va­ti­o­nal arou­sal through films on sali­va­ry immu­no­glo­bu­l­in A. Psy­cho­lo­gy & Health. 1988, 2 (1): 31–52
  5. Rakel DP, Hoeft TJ, Bar­rett BP, Chew­ning BA, Craig BM, Niu M. Prac­ti­ti­o­ner empa­thy and the dura­ti­on of the com­mon col. Fam Med. 2009, 41(7):494–501
  6. Stel­lar JE, Cohen A, Oveis C, Kelt­ner D. Affec­ti­ve and phy­si­o­lo­gi­cal res­pon­ses to the suf­fe­ring of others: com­pas­si­on and vagal acti­vi­ty. J Pers Soc Psy­chol. 2015, 108(4):572–85

Colofon

Geschre­ven door Kar­lien Bon­gers. Kar­lien is chi­rurg (niet prak­ti­se­rend), spe­ci­a­list Inte­gra­ti­ve Medi­ci­ne en heeft een eigen coa­chings- en advies­prak­tijk.

Dit arti­kel ver­scheen in het Vak­blad Natuur­lij­ke & Inte­gra­le Gezond­heids­zorg, janu­a­ri 2019. Dank voor de toe­stem­ming van schrijf­ster en redac­tie om het over te mogen nemen.

Foto: Clint Adair on Uns­plash

0 0 stemmen
Beoordeel artikel
Abonneer
Laat me weten als er
guest
0 Reacties
Inline reacties
Bekijk alle reacties
0
Wil je een reactie geven op dit artikel? Cool!x
Scroll to Top